Wakker gekust

17 januari 2022

Wim is een beginnende manager. Hij doet enorm zijn best en wil het zijn mensen graag naar de zin maken. Zijn mensen maken daar ongewild nogal eens misbruik van. Langzaam maar zeker verandert de sfeer in zijn team. Zijn directeur merkt dit op en nodigt hem uit voor een gesprek. Ze besprekende problematiek en de directeur stelt voor dat Wim zich laat coachen. Wim gaat op het voorstel in en na een aantal coachgesprekken begint hij meer inzicht in zijn gedrag te krijgen. Hij is erg tevreden over zijn coach omdat hij het idee heeft dat de gesprekken hem helpen. Na een gesprek of tien heeft Wim het idee dat hij voldoende bagage meegekregen heeft om zijn team goed aan te kunnen sturen.

Helaas loopt het anders. In zijn hoofd heeft hij zijn inzichten goed op een rijtje. Maar de praktijk is veel weerbarstiger. Op de een of andere manier lukt het hem niet zijn mensen eens flink aan te spreken op hun gedrag. Hij weet dat hij aardig gevonden wil worden, maar weet ook dat hij door zal moeten pakken. Toch laat hij het afweten en hierdoor gaat het volslagen mis. Er ontstaat steeds meer wrevel en gedoe in zijn team. Daarnaast klagen zijn collega managers bij de directeur, maar stappen niet  rechtstreeks op hem af. Ook de directeur ontwijkt hem en is zeer afstandelijk. Wim heeft het gevoel volledig alleen te staan.  Dat raakt hem erg en hij weet even niet meer hoe hij hier uit moet komen. Hij heeft het idee dat hij in een heel diep gat aan het vallen is.

Op vrijdag avond sleept zijn vrouw hem mee naar een  bijeenkomst van haar werk. Zij hebben daar net een fantastisch ontwikkeltraject afgerond. Vanavond is  de feestelijke afronding. Ieder team geeft een ludieke presentatie van wat zij hebben gedaan. Ondanks zijn ellende moet Wim toch wel vaak smakelijk lachen. Na afloop van de presentaties is er nog een feestelijke borrel. Bij toeval komt hij met zijn vrouw bij de twee snuiters te staan die het traject hebben begeleid. Beide mannen manifesteren zich nadrukkelijk en hanteren een scherpe en prikkelende humoristische manier van praten. Na een poosje valt hun oog op Wim en vrijwel  tegelijk zeggen ze:”He hallo meneer, u kennen  we nog niet”. Ze stellen zich voor als Matthe en Derk.  Matthe kijkt hem indringend aan en vraagt of hij wel genoten heeft. Wim knikt en antwoordt bevestigend. Nu bemoeit Derk zich er ook mee en zegt tegen  Wim  dat zijn gezichtsuitdrukking en houding iets anders vertellen. Dan gebeurt er iets bijzonders bij Wim, op een wonderbaarlijke manier raakt de belangstelling van deze twee mannen hem. Hij begint zomaar spontaan te vertellen over zijn werksituatie. Matthe en Derk luisteren naar zijn verhaal. Hij voelt zich zowaar opgelucht. Tot zijn stomme verbazing beginnen ze te lachen en zeggen ze dat zijn verhaal heel herkenbaar is en vaak voorkomt in organisaties.

Ze leggen Wim uit dat het niet specifiek zijn probleem is maar het probleem van de gehele organisatie. Zijn directeur en collega managers durven hem ook niet op zij gedrag aan te spreken en doen dus hetzelfde als wat ze Wim verwijten. Ze geven ook aan dat zijn directeur een duidelijke opdracht had moeten verstrekken aan zijn coach en hem, met daarbij een duidelijke opgave van wat bereikt had moet worden.  Nu is het een soort privétraject geworden. Volgens Derk en Matthe moet alles wat je in een organisatie doet aan elkaar verbonden zijn: De directeur, zijn collega managers en zijn eigen team hadden allemaal medeplichtig gemaakt moeten worden aan het leertraject van Wim. Dan waren de huidige problemen wellicht niet ontstaan.

Wim voelt zich merkwaardig opgelucht. “Maar wat kan ik hier nu mee?”  vraagt hij. “Wat wil je”? vraagt Matthe. ” Dit gewoon aan mijn directeur vertellen en er mee aan de slag gaan”, antwoordt Wim.

Die maandag gaat Wim naar zijn werk en tijdens het maandagochtend overleg vraagt hij zijn directeur en collega’s waarom ze hem ontwijken en niet aanspreken als ze zaken zien die hij verkeerd of onhandig doet. Terwijl hij dit verteld is er een soort geraaktheid in zijn stem die een diepe indruk maakt op zijn collega’s. Ze begrijpen niet wat ze meemaken. Is dit dezelfde Wim als vorige week? Ze vragen wat er gebeurt is en Wim vertelt over zijn ontmoeting met die twee zeer bijzondere snuiters die in de gaten hadden dat hij niet lekker in zijn vel zat en hem wakker geschud hebben. Iedereen is onder de indruk van zijn verhaal en de manier waarop hij dit brengt.  Zijn directeur in het bijzonder. Deze schudt zijn hoofd  en zegt: ”Ik vind het erg confronterend wat je vertelt, maar het klopt wel wat ze tegen je hebben gezegd . Mijn excuses , we gaan dit heel anders aanpakken”.

Twee maanden later is de sfeer in het team van Wim volledig anders. Ze hebben indringend met elkaar gesproken en Wim wordt nu geaccepteerd. Hij blijft een lieverd maar durft zijn mensen nu wel aan te spreken. Ook in het managementteam is er veel veranderd. Er is meer openheid en een grote bereidheid om van elkaar te leren. Dat alles door een korte en heftige ontmoeting op een bijeenkomst van het werk van zijn vrouw. Wim heeft nog steeds het idee dat het dankzij die twee snuiters komt.

Wat hij nog niet heeft ontdekt,  is dat hij en hij alleen de hefboom was voor de grote verandering in zijn organisatie. Hij heeft de moed gehad zich werkelijk open te stellen, zijn geraaktheid te tonen en zijn worsteling te delen met zijn collega’s  zonder zijn verantwoordelijkheid te ontkennen. Hierdoor heeft hij zijn collega’s  weten te raken en door deze aanraking is er een oprechte verbinding tot stand gebracht. Door zichzelf te laten zien heeft hij onbewust de anderen ook toestemming gegeven zich te laten zien en zich met elkaar te verbinden.

De prins is wakker gekust. Hij heeft de kus doorgegeven.

Coachillusie


Stijn mocht eindelijk een afdeling aansturen. Hij was er blij om. Stijn was een zachte man die het goede met iedereen voor had.  Hij was niet al te groot en had een blozend gezicht met een bijna witte bos haar. Als je hem zo zag ging je hem direct al aardig vinden.  Hij was ambitieus en vond het een eer dat hij nu manager was. Inhoudelijk had hij echt verstand van zaken  en  sociaal gezien was hij een alleman vriend.  Hierdoor vond hij het lastig zijn mensen aan te spreken als er dingen mis gingen.  Zijn collega managers en zijn directeur waren aanvankelijk erg blij met zijn expertise, maar kregen na verloop van tijd door dat er ook wel vaak dingen mis  gingen in zijn team. Omdat het zo’n aardige kerel was en hij zo zijn best deed vonden zijn collega-managers en directeur het ook  moeilijk om Stijn aan te spreken.

Na een jaar ging de communicatie binnen  zijn team steeds stroever. Collega managers liepen ook tegen het functioneren van Stijn aan omdat zijn team slecht presteerde richting de andere teams.  Een belangrijke oorzaak was dat het team niet aangesproken werd door Stijn. Uiteindelijk was het Stijn zelf die aangaf bij zijn directeur dat het niet lekker liep. De directeur was blij, want hij liep er al een tijd mee rond hoe het slechte functioneren van Stijn moest aan kaarten. In hun gesprek kwamen ze tot de conclusie dat Stijn een coach nodig had. Zo gezegd zo gedaan.

Hij was erg blij met zijn coach en zijn coach met hem. Hij kon heel wat vraagstukken met haar doornemen. Hij besprak zijn problemen en ze keken naar zijn leerpunten. Langzaam maar zeker kreeg Stijn inzicht in zijn leerpunten. Hij had het idee dat er echt dingen in zijn gedrag veranderde.  Beiden waren dol enthousiast over de geboekte vooruitgang. Ieder keer deed Stijn nieuwe ontdekkingen en kreeg hij meer inzicht in zijn handelen.

Na 10 gesprekken stopte het coachen. Stijn ging voor zijn gevoel veel rijker dan daarvoor aan de slag met zijn nieuwe inzichten.  De coach had met Stijn afgesproken  dat hij altijd weer om hulp kon vragen mocht hij terugvallen.  Het duurde niet lang of dat gebeurde. In zijn team was het redelijk uit de hand gelopen omdat twee medewerkers elkaar tegen werkten. Hierdoor waren er twee kampen in het team ontstaan. Uiteindelijk escaleerde dit. Stijn wist niet hoe hij dit recht moest breien en ondanks alle nieuwe inzichten wist hij niet hoe hij dit aan moest pakken.  De escalatie werkte ook door richting de andere teams in de organisatie zodat uiteindelijk zijn collega managers er ook last van kregen.

Hij kwam weer bij de directeur terecht. Deze gaf aan dat zijn collega’s ook steen en been over hem klaagden. De directeur vond dat er maar snel wat moest veranderen. Uiteindelijk wist de directeur ook niet wat hij aan moest met de ontstane situatie en die vroeg zich af wat nu de toegevoegde waarde van die coach was geweest. Hij ging Stijn beschuldigen van incompetentie en brandde de coach meteen ook maar af.

Heel toevallig had ik een afspraak met de HR manager die met Stijn in het MT van dat bedrijf zat. De directeur schoof ook aan. Als organisatie haalden ze niet voldoende orders binnen omdat het in de onderhandelingen nogal eens mis ging. Hier wilden ze een training voor. Tijdens het gesprek bemerkte ik een grote weerzin bij de directeur. Hij was erg stekelig richting trainers en coaches. Ik benoemde dat en vroeg hoe dat kwam. Toen kwam het hele verhaal van Stijn en zijn coach eruit. Volgens de directeur was die coach waardeloos en Stijn kwam er ook niet heel genadig af. De HR manager probeerde het wel wat te verzachten maar het was voelbaar dat hij dezelfde mening was toegedaan. Met wat ik hoorde van de directeur en HR manager gaf ik aan dat de coach integer met de vraag van Stijn aan de slag was gegaan. Samen hadden ze gewerkt aan de punten die Stijn had ingebracht. Wat de coach niet had gedaan was dat zij de vraagstelling van Stijn in relatie had gebracht met zijn werkomgeving.  Ik vroeg naar de reden waarom dat niet gebeurd was en hoe de leeropgave richting Stijn en coach geformuleerd was door de directeur of de HR adviseur. “Moest dat dan?” bitste de directeur. “Tja,” gaf ik ten antwoord, “als jij de context van het vraagstuk over de schutting richting Stijn en de coach gooit en dan denkt dat het wel goed komt, dan komt dat op mij wel wat naïef over. Zoals ik het nu hoor van jullie hebben Stijn en zijn coach de illusie gehad dat ze hele goede dingen hebben gedaan.  Er is gewerkt aan leerpunten, maar die zijn niet direct gekoppeld aan de omgeving waarin Stijn werkt. Stijn heeft met zijn coach hard gewerkt aan verschillende inzichten over zichzelf. Hier ontstond de illusie dat er werkelijk iets veranderd was bij hem. In zijn hoofd is dat waarschijnlijk ook gebeurd. Wat achterbleef was het toepassen van die inzichten in het dagelijkse handelen en in relatie met zijn werkomgeving. Deze situatie had zijn coach kunnen scheppen.”  De directeur en HR manager keken me met grote ogen aan. Het leek of een deel van het venijn van de directeur geweken was. Dus besloot ik door te gaan met mijn verhaal.

“Een deel van het probleem ligt ook bij jullie. “ “Nou wordt ie mooi”,spatte de directeur op.               ”Hoe hebben jullie Stijn geconfronteerd met hoe het ging op zijn afdeling en in het MT?”vroeg ik. Het bleef ongewoon stil totdat de HR manager toegaf dat dit niet was gebeurt.  “ Het lijkt dus  alsof het probleem bij Stijn ligt maar het zit in jullie systeem, beginnende bij jou, de directeur en de collega managers, want hoe komt het dat jullie Stijn niet eerder geconfronteerd hebben?” Het bleef ijswekkend stil tot de directeur verzuchtte:”Tja daar heb je wel een punt.” Ik liet de stilte nog even duren en besloot er toen nog een schepje boven op te doen: “ Doordat de coachvraag niet helder is geformuleerd noch gekoppeld aan de context van jullie organisatie is de coach dus sluipende weg ook deel uit gaan maken van jullie systeem.

Dus als het grote geheel niet gezien wordt van waaruit een vraag zich manifesteert en de coach vervolgens het systeem en zijn spelers niet confronteerd met wat er echt nodig is, ontstaat daar de tragedie van het coachen: een illusie.

Dus ieder coachvraagstuk binnen een organisatie zal direct in het perspectief van dat systeem onderzocht moeten worden en aan de hand daarvan kan er een route uitgestippeld worden. Persoonlijke vraagstukken raken per definitie het systeem waarin gewerkt wordt, dus wat is er dan mooier om het ook binnen die context te houden en er veel breder dan nu vaak het geval is mee aan het werk te gaan. Het resultaat levert jullie als klant en mij als coach oneindig veel meer op. Dan ontstaat de vreugde van het coachen en trainen: bewustzijn en ontwikkeling.”

De directeur kijkt me aan en er breekt een lach bij hem door. “Volgens mij heb je ons net even goed de spiegel voorgehouden. We zullen recht zetten wat hier mis is gegaan en we nemen hetgeen je ons terug hebt gegeven mee voor een volgende keer. Ons landschap van coachen gaan we  anders invullen.”

Uiteindelijk heeft deze organisatie serieus werk gemaakt van  hoe er gecoacht wordt en vindt het coachen altijd plaats binnen de context van de uiteindelijke vraag. Die vraag heeft per definitie te maken met de opgave van de organisatie.

Op ’t nippertje weer medestander; bijna agressie tegen een hulpverlener


Ik heb onlangs iets meegemaakt wat ik voor mezelf vrij confronterend vond. Ik voelde agressie naar een hulpverlener. Ik vind het gênant en zelfs spannend om over te schrijven. Toch moet het me van het hart.

Regelmatig hoor ik op het nieuws dat er weer hulpverleners de klos zijn door uitbarstingen van agressie. Ik vraag me al lange tijd af wat mensen bezielt om agressief tegen hulpverleners te doen. Welke reden hebben ze daarvoor, terwijl er hulp wordt verleend? Tot ik iets meemaakte waardoor ik zelf bijna agressief werd jegens een hulpverlener. Ik had dat nooit van mijzelf verwacht. Gelukkig wist ik me te beheersen, maar het scheelde niet veel. Het speelde zich als volgt af:

Ik loop rustig over de markt en bekijk op mijn gemak alle kraampjes. De sfeer is rustig en gezellig. Bij een boekenkraam zie ik een prachtig tweedehandsboek, sla het open en verdwaal erin. Geheel verdiept in het boek ontgaat het mij volledig wat er om mij heen gebeurt. Ik koop het mooie boek en wil mijn weg vervolgen. Ik slenter naar het midden van de straat en bots tegen een man op. Deze man vaart direct kwaad tegen mij uit: ’Ja ga toch eens aan de kant, schiet eens even op zeg, wat doe je hier nog?’ Geheel verbouwereerd wil ik hem vragen waarom hij zo tegen me uitvaart. Maar daar krijg ik de kans niet voor. Hij duwt me aan de kant met de woorden: ‘Heb eens een beetje respect man’. Ik merk dat mijn adrenaline gaat lopen en krijg de neiging heel hard terug te duwen. Ik bijt op mijn tong, want ik wil iets verschrikkelijk lelijks tegen de man in kwestie zeggen. Ineens zie ik een ambulance tussen het publiek door mijn kant uit rijden en begint er net op tijd een lampje bij me te branden. De man probeert waarschijnlijk ruim baan te maken voor de ambulance en ik sta kennelijk in de weg. Het valt me dan pas op dat hij een hesje aan heeft. Bijna ben ik de fout in gegaan jegens deze goedwillende man.

Toch begrijp ik niet wat de reden is dat hij direct zo kwaad moest reageren tegen mij. Had hij dit niet vriendelijker en rustiger kunnen doen? Hoe kon het dat hij zich niet bewust was van het feit dat zijn houding niet direct door mij begrepen werd?

Ik ben in ieder geval niet onmiddellijk afgestemd op een noodsituatie als ik lekker loop te snuffelen. Begint iemand dan zomaar vanuit het niets tegen mij uit te varen dan is er een grote kans dat mijn adrenaline begint te lopen. Gelukkig heb ik geleerd om niet onmiddellijk te reageren in zo’n situatie, maar dat geldt niet voor iedereen.

Door deze gebeurtenis is het nu wel zo, dat als ik weer eens lees of hoor over geweld tegen hulpverleners, ik me afvraag wat er  precies is voorgevallen waardoor zo’n situatie is ontstaan. Ik geloof dat de meeste mensen hulpverleners zeer ter wille willen zijn. Het is belangrijk dat  hulpverleners zich dit realiseren en dat ze juist op deze behulpzaamheid een appèl kunnen doen. Dat werkt beter dan de wijze waarop de hulpverlener uit mijn verhaal reageerde. Bijna waren we tegenstanders geworden en was ik een agressor jegens een hulpverlener geworden. Ik heb een diep respect voor het werk wat deze mensen doen en wil ze graag ter wille zijn. Ik hoop dat ze zich realiseren dat ze met professionele vriendelijkheid -wat als smeerolie kan werken in het contact met het publiek- meer kans hebben op welwillendheid.

Ik pleit er voor, om voorvallen waar geweld is opgetreden, goed te analyseren, zodat er een helder beeld ontstaat waar aanleiding voor geweld of agressie is ontstaan. In emotionele en paniekerige situaties kan de vlam zo in de pan slaan vooral als er alcohol in het spel is. Overigens, voor iedere dronkaard die vanuit een kort lontje zomaar een zorgverlener molesteert, heb ik weinig begrip. Hulpverleners die bij voorbaat het publiek als tegenstander zien lopen daarbij meer risico op agressie dan hulpverleners die er van uit gaan dat het publiek een medestander is.

Belangrijk is het ook om ons te realiseren dat politieagenten ook gerekend worden tot de hulp en zorgverleners. Ik ben erg blij dat we die kant op gaan, maar dat verenigt zich niet echt met het beeld dat agenten harder dienen op te treden en dat er per definitie respect dient te zijn voor agenten.

Respect ontstaat door een respectvolle omgang met elkaar in welke situatie ook, waarbij we wederzijds voelen dat we medestanders zijn.

Medestanders of tegenstanders?


Het is de middag van oudjaarsdag, ik rijd  rustig over een landweggetje naar het carbidschieten, wat even verderop in het weiland is toegestaan. Het begint al wat te schemeren. Opeens zie ik  een vuurtje branden op de weg. Dichterbij gekomen staat er een auto naast het  vuurtje met een man erin die zoals het lijkt druk aan het praten is tegen de vuurstokers. Zodra wij aan komen rijdt hij iets verder en zet zijn auto neer. Ik ben dol op vuur dus ik stop pal naast het vuurtje. Een drietal opgeschoten jongens staat erbij. Ze ogen erg gewoontjes en misschien zelfs wel wat braaf. Ik draai m’n raam naar beneden en zeg lachend: ’Dat is een mooi vuurtje jongens, ziet er goed uit. Lekker warm ook’. Ik laat een moment van stilte vallen en zeg vervolgens, nog steeds lachend, ‘misschien wel wat een onhandige plek zo’n fikkie half op de weg. Sommige mensen vinden het vast eng om langs dit vuurtje te rijden en daar komt bij dat het asfalt er ook niet zo goed tegen kan. Wisten jullie dat? Er is vast een betere en veiligere plek om een oudjaar vuur te stoken. Wat vinden jullie?’

Een van de jongens kijkt me stomverbaasd aan en zegt  ‘Bent u niet boos? Moet u eens met die man in die auto hiervoor praten, die is hartstikke boos op ons. We willen het heus wel uitmaken hoor. Het brandt niet lang meer en gaat zo vanzelf uit’.

Ik trek mijn wenkbrauwen even op en lach hem toe. ’Hoezo moet ik dan boos zijn?’ Intussen was de man, een lokale hoogwaardigheidsbekleder, uit de auto voor ons uitgestapt en begon de jongens weer op boze toon aan te spreken. ‘Waar zijn jullie mee bezig, dit lijkt nergens naar. Weet je wel hoe duur asfalt is? Dat gaat helemaal kapot.’ De grootste jongen kijkt met een beteuterd gezicht naar de man. De beide andere jongens trekken zich nergens iets van aan en steken  nog even een rotje af. Gelukkig voor de boze mijnheer halen de jongens verder hun schouders op en doven het vuurtje. Mij kijken ze even aan met een blik van verstandhouding en naar de boze mijnheer gaat een blik van minachting.

Ik schud even met mijn hoofd en bedenk me dat deze man geluk heeft dat het niet een groepje jongeren betreft die minder tolerant en braaf zijn of die al wat drank op hadden. Zijn boosheid en ondertoon van agressie had gemakkelijk agressie kunnen oproepen.

Door de jongens op een andere manier te benaderen, met een glimlach en begrip voor hun behoefte om een vuurtje te stoken kreeg ik de blik van verstandhouding. Tja en dat een weg wat minder geschikt is om een vuurtje te stoken, bedenkt een stel opgeschoten knapen zich echt niet , vooral niet op oudjaarsdag.

Ik realiseer me dat er regelmatig gevallen van agressie zullen zijn die onbedoeld opgeroepen worden door goedbedoelende mensen, die menen hun burgerplicht te moeten doen. Helaas weten ze niet altijd de juiste toon aan te slaan en werkt hun ingrijpen contraproductief. Ze beroepen zich op hun volwassenheid, autoriteit of macht. Helaas voor hun werkt dat niet meer vanzelfsprekend in onze samenleving.

Gelukkig maar, want dat betekent dat we aardig op weg zijn naar gelijkwaardigheid in onze samenleving. Het is wel zo dat gelijkwaardigheid een volstrekt andere manier van benaderen vraagt. In plaats van boos te worden of macht uit te oefenen zal je een beroep moeten doen op het inlevingsvermogen en de verantwoordelijkheid van de ander. In de meeste gevallen zal de aangesprokene dan ervaren dat je een medestander bent die je attendeert op iets wat in beider belang is. Boosheid en machtsuitoefening roept tegenstand en weerstand op, omdat je je tegenover de ander plaatst en niet naast de ander gaat staan.

Het vraagt een forse omslag in denken en doen om dit te realiseren. Een mooie en uitdagende opgave voor het nieuwe jaar.

Regelverslaving: een lekkere stoot gezonde humor


Afgelopen week moest ik naar ziekenhuis de Tjongerschans voor een onderzoekje. Ik had ergens nog een ponskaartje liggen en met dat kaartje in de aanslag toog ik richting de eerste de beste balie die ik zag toen ik binnenkwam.

“Heeft u al een patiëntenkaart?” vraagt de mevrouw achter de balie. Ik toon enthousiast mijn ponskaartje. “Nee meneer die gebruiken we niet meer,” zegt de dame.

“Doet u me dan maar een nieuwe.“ Maar dat blijkt daar niet te kunnen bij die balie. De aardige mevrouw vertelt me dat ik naar de inschrijfbalie moet die een eind verderop in de hal is. Vol goede moed loop ik er naar toe. In de verte ontwaar ik twee dames in een soort van uniform. Het is er niet druk, sterker nog, er is geen kip te bekennen. “Aha, dat komt mooi uit. Die dames vervelen zich vast en zullen blij zijn dat ze iemand kunnen helpen.” Bij de balie aangekomen meld ik me met de woorden: ”Hallo, hier ben ik om me in te schrijven.” De oudste van de twee kijkt me vernietigend aan en zegt: “U heeft niet op de knop gedrukt, daardoor heeft u geen nummer en kunnen we u niet helpen.”  Ik kijk haar aan of ze me niet voor de gek houdt. Nog steeds kijkt ze me bloedserieus aan. “Waar is de verborgen camera?” vraag ik haar lacherig. “Nee meneer, u moet op die knop daar drukken,” is haar antwoord. Ik kijk om en zie een metertje of zes, zeven terug een soort plateau. Ik loop terug en met een theatraal armgebaar druk ik de daar aanwezige knop in. Op dat moment trekt de mevrouw een microfoon tevoorschijn en roept het nummer om. Ze kijkt hierbij nog steeds bloedserieus. Hierop krijg ik een onbedaarlijke lachstuip en ik moet me echt zelf in de hand houden om niet over de grond te rollen van het lachen. Twee zeer gekwetste dames kijken met een strak gezicht in mijn richting. Ik vraag nogmaals of ze wel zeker weten dat er geen camera ergens verstopt is. Het lijkt wel een slapstick waar ik in terecht gekomen ben; fantastisch om dit mee te mogen maken. Terug aan de balie vragen ze om mijn identiteitsbewijs. Ik vraag of een rijbewijs ook mag. Dat mag en dan gebeurt het……

Vraagt die strenge mevrouw me of ik even in de camera wil kijken.” Zie je wel” roep ik uit,” candid camera!” De blik die me dan wordt toegeworpen laat me bijna bevriezen. “Nee” snauwt ze bijna, “we moeten een foto van je hebben.” Ik kijk om me heen en vraag waar de fotograaf dan is. Dit was bijna teveel van het goede voor haar en met een heftig gebaar wijst ze naar een soort bol op een flexibel stuk draad. Ik kijk even heel goed en zie dat er een camera in verscholen gaat. Het is een soort webcam. “Zeker weten dat u dit niet allemaal toch stiekem opgenomen hebt?” vraag ik haar nog steeds erg lacherig. “Meneer kijkt u nu maar in de camera,” bitst ze me toe.

Braaf deed ik toen maar wat me gevraagd werd. En ik realiseerde me dat humor en frustratie dicht bij elkaar kunnen liggen. Ik maakte onbewust de keuze om er vanuit humor naar te kijken en heb een geweldige middag gehad. De dames die zo stringent hun regels volgden kijken hier ongetwijfeld anders tegen aan. Of dit ziekenhuis op deze manier hun klantgerichtheid wil tonen door mij een dosis zeer gezonde humor te bezorgen en zo mijn gezondheid een boost te geven waag ik te betwijfelen. Maar lachen was het zeker.

Hoe een mentale screenshot ons kan helpen onze natuurlijke vermogens steeds weer te gebruiken!


Fascinerend vind ik het hoe schijnbaar ingewikkelde zaken soms eensklaps helder en eenvoudig worden. Ik begeleid een vrouw waarbij we gesprekken voeren over zelfvertrouwen, grenzen stellen, goed voor zichzelf opkomen en hoe lastig ze dat af en toe vind. Totdat………

 

Ze valt direct met de deur in huis: ”Albert, ik ga voorlopig stoppen met de gesprekken die we hebben. Ik heb ze nu even niet nodig.”

“Dat klinkt goed”, antwoord ik haar, “en mag ik weten wat er veranderd is waardoor je de gesprekken niet meer nodig hebt?’

“Ik ben zwanger en ga alle aandacht en energie die ik heb, richten op mezelf. Het is voor de baby heel belangrijk dat ik goed voor mezelf zorg. Ik weet precies wat ik wil en het gekke is dat de onderwerpen waar ik moeite mee had en waar we het in onze gesprekken over hadden, nu niet meer spelen.”

“Wat mooi voor jullie dat er weer een kleine op komst is”, antwoord ik haar, “van harte gefeliciteerd! Zowel met je zwangerschap als voor het feit dat je de essentie van onze gesprekken nu zomaar in de praktijk toepast. Echt geweldig dat de zwangerschap je dit zo duidelijk maakt.” Het blijft even stil aan de overkant van de tafel. “Maar als ik volgend jaar mezelf weer eens wegcijfer of mijn grenzen niet aangeef bij een nieuw project op mijn werk, dan heb ik misschien je hulp wel weer nodig”, repliceert ze.

Dit ontlokt een glimlach op mijn gezicht. “Hoezo dan?’ vraag ik haar, “je begrijpt de essentie van wat nodig is precies. Je verwoordt het exact. Een zwangerschap en een baby krijgen is ook een soort project. Door alle natuurlijke processen en hormonen volg je precies de natuur en zorg je optimaal voor jezelf zodat het de baby goed zal gaan. Eerst goed voor jezelf zorgen, waardoor je ook optimaal voor de ander kunt zorgen. Dus maak een soort mentale screenshot van dit wonderbaarlijke natuurlijke vermogen wat jouw zwangerschap je geeft, want dat is precies wat je nodig hebt om optimaal te functioneren in elke andere situatie”.

Ze lacht me toe, “ja , dat zou wel het gemakkelijkst zijn en dat wil ik ook wel. Het is fijn om weer zwanger te zijn, vooral omdat mijn focus nu zo duidelijk bij de baby ligt en daardoor bij mijn eigen gezondheid en welbevinden. Ik vind het idee dat mijn zwangerschap en de baby krijgen ook een soort project is wel een mooie metafoor. Wat ik nu kan zou ik altijd wel willen. Grappig die vergelijking van een screenshot maken van hoe ik me nu voel en hoe ik nu handel en dat me dat dus kan helpen als de baby er straks is en ik weer wat minder gebruik maak van moeder Natuur. Gek eigenlijk dat ik nu zo goed weet en voel wat ik nodig heb en dat ik dat straks misschien wel weer vergeet”.

“Ja, best gek en ook gaaf die wonderbaarlijke natuurlijke vermogens van ons  ”, antwoord ik.

 

Een kwartje valt soms ineens, waardoor zaken zich gemakkelijk oplossen. We hoeven ons slechts onze natuur te volgen en soms weer herinneren, eventueel met “een mentale screenshot”.

Mijn droom voor het onderwijs: Focus op talent en experiment


Mijn droom voor het onderwijs: focus op talent en experiment

Stel je eens voor: een school waar kinderen voor de deur staan te trappelen om naar binnen te gaan. Kinderen die willen weten hoe de wereld in elkaar steekt en gefaciliteerd worden door een leerkracht die permanent leersituaties creëert vanuit de behoefte van de leerling, de actualiteit, de samenleving, het bedrijfsleven of de school zelf. Niet de leerstof, maar de behoefte van de leerling staat centraal. Wanneer dit het geval is, hebben kinderen een natuurlijke focus en gretigheid om die behoefte te vervullen. Hebben ze daarbij ook de kans om hun eigen talenten te gebruiken, dan gaan ze graag aan de slag en leren ze met plezier. Ze doen dit ook wanneer ze ruimte krijgen om te experimenteren en daarbij ook de kans om dingen te laten mislukken, fouten te maken.

Kinderen beschikken over verschillende soorten talenten. Koppelt een leerkracht deze aan elkaar, dan nodigt hij niet alleen ieder kind uit om het beste van zichzelf te ontwikkelen en in te zetten, maar haalt hij ook het maximale uit de kwaliteit van de groep als geheel.
Sociaal talent bijvoorbeeld, wordt dan gekoppeld aan technisch talent en creatief talent gaat samen met talent voor ondernemerschap. Voer je daarbij ook een andere manier van lesgeven in, dan kunnen kinderen nog meer kwaliteit ontwikkelen. Een deel van de informatie kunnen ze zelf opzoeken en lessen kunnen ook digitaal of in filmpjes worden gegeven. Doe je dit op de wijze waarop bijvoorbeeld Robbert Dijkgraaf dat voor DWDD University doet, dan heb je een aansprekende les van hoog niveau. Topdocenten zouden ook op andere terreinen dergelijke lessen kunnen maken. De huidige manier van uitleggen wordt overbodig. Dat betekent niet dat de leerkracht in de klas dit ook wordt. Integendeel. Hij of zij krijgt veel meer ruimte om te inspireren, uit te dagen, creatief te zijn en het antwoord op de behoefte van dit ene kind te organiseren.

Stel die enthousiaste leerlingen die voor de deur stonden te trappelen, zijn de klas ingegaan en stel dat vandaag in die klas ‘meten en weten’ centraal staat. De hele groep heeft gekeken uit welke aspecten dit onderwerp bestaat, wat ze al weten en wat ze nog willen onderzoeken. Daarna is iedere leerling vanuit de eigen belangstelling en met het eigen talent aan de slag gegaan met een deelaspect. De een onderzoekt de geschiedenis van meten en weten, de ander kijkt of er een verschil is in de manier waarop landen hiermee omgaan, weer een ander gaat aan de slag met meten en weten in de kunst of de muziek en een laatste groepje kinderen gaat aan de slag met de rekenkundige en wiskundige aspecten van meten en weten. De klas gonst van de bedrijvigheid. Er is een ruimte waarin kinderen in stilte onderzoek doen, er is ruimte voor overleg, voor experimenten en voor presentaties. Kinderen zitten soms, maar ze bewegen ook, en ze ontspannen. Ze maken gebruik van het gegeven dat beweging de ontwikkeling van het brein en het leren bevordert. En ze passen dat vlekkeloos in het thema in.
Geen voorgekookte methodes meer, alles wat er te leren valt openbaart zich iedere dag weer. Kennis staat wel op internet, we hebben onderzoekers, uitvinders, ondernemers, uitvoerders en teamspelers nodig die iets met deze kennis kunnen doen.

Mijn droom: gretige en enthousiaste leerlingen en leerkrachten met als gezamenlijke focus talentontwikkeling en experiment om als mens en samenleving te groeien waardoor er overvloed voor iedereen ontstaat. Met een waanzinnig rendement: meer eigen verantwoordelijkheid, gesocialiseerde klassen, focus, ambitie, plezier en motivatie. Kindkracht dus!

Erkenning en waardering


In een workshop die ik gaf hadden we het over lichaamstaal, houding en onze gevoeligheid voor negatieve gedachten en oordelen naar elkaar. Vooral het belang van erkenning en waardering kwam aan bod omdat het mensen laat groeien en veel motivatie geeft. Na afloop van de workshop kwam er een man naar me toe. “Ik ken je nog maar een uur, maar het is net of we elkaar al jaren kennen. Ik heb het gevoel dat jij me wel gaat begrijpen. Ik ben al wat ouder en mijn bazen willen me aan de kant zetten. We moeten bezuinigen en ze vinden mijn functie van huismeester overbodig. Ik houd mijn complex netjes en de bewoners zijn blij met me. Ik knap veel zaken op voor de bewoners en ik probeer steeds het sociale gezicht van ons bedrijf te vertegenwoordigen. Ik let op of mijn oudjes niet verkommeren of verpieteren vanuit de eenzaamheid die er vaak is. Nu moest ik bij mijn bazen komen en vroegen ze me of ik niet wat anders zou willen doen of misschien wat eerder wilde stoppen.”

De tranen kwamen in zijn ogen. “Maar ik vind het zo zinvol wat ik doe. Aan de bewoners merk ik hoe belangrijk ik voor ze ben. En als ze mijn baan afnemen, wat moet ik dan? Door mijn werk hoeven heel veel andere kosten niet gemaakt te worden, dat weet ik zeker. Ik heb het daarover gehad met mijn manager. Hij keek alleen wat meewarig naar mij, alsof ik gek was. Dat deed mij zo’n pijn. Ik vertel je dit verhaal opdat jij het door kunt vertellen. Het is toch belangrijk dat we zorg voor elkaar hebben? Ik geloof in wat ik doe, maar ik weet niet of ik het wel red als ik dit niet meer mag doen.”

Zijn verhaal raakte me en dat vertelde ik hem.